
(working hard: eroromantisch stripsprookje voor Deus ex Machina)
Vluchtstrook voor frêle dromerijen, rustoord voor snelle schrijverijen
Efemera, memories, notities, tekeningen, momentopnamen & nachtgedachten
Een virtuele moleskine, privédomein van Annelies A.A. Vanbelle
‘Liefde is een religie. Maak van de ander het object van je geloof, vereer, adoreer met overtuiging, en je broodje is gebakken. Hoe dieper je geloof, hoe heftiger de extase die je deel zal zijn. Als je niet gelooft echter, ben je de klos. Het is een schrijnende waarheid, maar in de liefde leidt atheïsme onverbiddelijk tot betekenisloosheid, tot eenzaamheid, tot leegte.’

“Ik denk dat dat een essentieel gegeven van het schrijverschap is. Ik kan me voorstellen dat er schrijvers zijn die zich alleen maar kunnen uiten op papier, waarbij het contact met mensen een voortdurend lijden is, een gevoel van: ik bén er niet, en ik héb het niet. Schrijvers verkeren minder makkelijk in de werkelijkheid van het leven, de voldoening die gevonden wordt in relaties is bijna minder echt dan wanneer je schrijft. Dat is een gevoel dat ik heel goed ken. Schrijven is niet zoiets als een fluitje waarop je even speelt en dat je dan weer weglegt. Het is zo verknoopt met je hele wezen, waarschijnlijk word je zo geboren. Je kunt er zo goed mogelijk iets proberen mee te doen, maar ervan loskomen, dat kan niet.” (Hella Haasse)
“Ik was niet tegen het huwelijk. Ik geloofde er zelfs in. Het was noodzakelijk om in een vijandige wereld ten minste iemand te hebben die je beste vriend was, iemand tegenover wie je je ten allen tijd loyaal zou gedragen, één mens die altijd loyaal tegenover jou zou zijn. Maar al die andere verlangens dan, die het huwelijk na een tijdje nauwelijks meer bevredigt? De rusteloosheid, de begeerte, dat kloppen in je buik, dat kloppen in je kut, dat verlangen om dichtgestopt te worden, om genaaid te worden in al je openingen, het hunkeren naar droge champagne en natte zoenen, naar de geur van pioenrozen op een dakterras op een avond in juni, naar het licht aan het uiteinde van de pier in Gatsby… eigenlijk niet eens zozeer naar die dingen zelf – want je wist best dat de zeer rijken een stuk saaier waren dan jij en ik – maar naar wat die dingen oproepen. De sardonische, bitterzoete woorden van een Cole Porter-song, de trieste sentimentele teksten van Rodger en Hart, al die romantische onzin waarnaar je met de ene kant van je wezen snakte en waar je aan de andere kant vinnig mee spotte.” (Erica Jong)